Een glimlachende man die over meer tanks beschikt dan generaal Rommel tijdens de veldtocht in Afrika.

Op het eerste gezicht ziet Alfred Ising er heel gewoon uit. Hij is een nogal magere veertiger die zijn Engels spreekt met een licht Duits accent. Hij is de eigenaar van een bloeiende middelgrote zaak, die opslagplaatsen voor metalen exploiteert, en een huis in de omgeving van Chicago. Slechts één ding is ongewoon: hij bezit 500 Shermantanks. Waarschijnlijk heeft niemand voor hem ooit zoveel tanks bezeten. In ieder geval kon de Amerikaanse generaal George Patton tijdens de slag in de Ardennen, in december 1944, niet over zo'n aantal beschikken en ook generaal Rommel in Afrika en generaal MacArthur in Korea hadden er niet zoveel onder hun commando. Zelfs vele landen hebben nimmer een dergelijk aantal middelzware tanks tegelijkertijd bijeen kunnen brengen.

Ising kon de zijne kopen uit de overschotten van het Amerikaanse leger; het waren er 536. Hij verzeilde na zijn aankoop in avonturen waar de overheid, de spoorwegen, verslaggevers en voormalige, huidige en would-be tankbestuurders bij betrokken waren. Hij kreeg allerlei wonderlijke zorgen aan zijn hoofd, maar daartegenover stonden af en toe opmerkelijke beloningen.

Hij kocht zijn tanks niet omdat hij van plan was op zijn eigen houtje een invasie te plegen, maar omdat hij —net als zovele andere opkopers van overschotten— meende een voordelig handeltje te kunnen drijven. De affaire begon toen een vriend van Ising in 1958 tegen hem zei: "Ik heb hier een aanbieding voor drie partijen tanks uit de Tweede Wereldoorlog. Waarom doe je er geen bod op?"

Daar Ising de leiding had van drie maatschappijen die zich bezighielden met de staalhandel —de Laube Steel Company en twee kleinere— meende hij dat hij wel over het apparaat beschikte om het project aan te kunnen. En zo deed hij dus een bod, doch net als bij bridge eist bieden wel enige voorbereiding.

Om te beginnen moest hij 21 bladzijden met omschrijvingen ontcijferen, waarin gegevens vermeld stonden omtrent de tanks, de kanonnen, de rupsbanden, de motoren etc. Van sommige tanks bleek de motor of het kanon te ontbreken.

Vervolgens maakte Ising een inspectietocht, want ten slotte vormen 536 tanks die oorspronkelijk 47 miljoen dollar waard waren, geen partij die je alleen maar per brief bestelt. Ising, die in het Amerikaanse leger bij de geneeskundige troepen had gediend, wist in ieder geval al hoe een Shermantank eruit zag. Hij ging dus op stap naar het depot van Rock Island, 300 km ten westen van Chicago en "nam de tankparade af".

De inschrijving op de partij was zo georganiseerd dat men zijn bod in een verzegelde envelop moest indienen, vergezeld van een cheque als waarborgsom. Er waren vijf inschrijvingen, doch Ising was de hoogste met een bod van ruim 305.000 dollar, en zo werd hij eigenaar van de meer dan 44 dozijn tanks, althans nadat hij nog enige formaliteiten had vervuld. Zo moest hij bijvoorbeeld het State Department (het Ministerie van buitenlandse zaken) de garantie geven dat de tanks niet zouden worden gebruikt voor de een of andere revolutie, terwijl het Ministerie van defensie verlangde dat alle tanks waren ontwapend voordat ze op vervoer zouden worden gesteld.

Bovendien moesten de serienummers van de tanks door een officiële fotograaf van het Ministerie worden gefotografeerd.

Toen stond Ising voor de taak zijn tanks te "verhuizen", en daar was haast bij: indien ze niet binnen 90 dagen na de afsluiting van het contract zouden zijn afgevoerd, zou hij per brutoton 4 dollarcent boete moeten betalen voor elke dag waarmee de termijn werd overschreden. Per dag zou dat in totaal 700 dollar belopen, tot de zesde dag, daarna zou de boete worden verdubbeld. Na dertig dagen zou het alles of niets zijn: de overheid zou dan het recht hebben de Shermans opnieuw te verkopen.

De vredelievende generaal bij de inspectie van zijn legermacht.

Voor een man die meer gewend was aan het kopen van staal en het voor doorverkoop opslaan daarvan of aan het importeren van Japanse huidplaten voor schepen om die in de V. S. te verkopen, zag het nieuwe project er nogal ingewikkeld uit. Het slopen van de bewapening omvatte bijvoorbeeld niet alleen het verwijderen van de lopen van de kanonnen de affuiten, de terugstoot- en afvuurmechanismen en andere onderdelen waar Ising nooit van gehoord had, maar ook het in stukken snijden ervan. Bovendien kreeg hij te horen dat er nog wel scherpe munitie in de buurt kon liggen, dat een snijbrander de ongeveer 230 liter olie en antivries in de Shermans tot explosie zou kunnen brengen en dat een achteloos behandelde terugbrengveer de grootste ongelukken zou kunnen veroorzaken. In het depot waren geen vakmensen terbeschikking en Ising moest zijn eigen ploeg formeren, die de goedkeuring behoefde van de veiligheidsofficier. Gelukkig had hij spoedig 14 man bij elkaar voor wie hij een speciale verzekering afsloot. Een van de eerste dagen dat de mannen aan het werk waren, werd er een wasbeertje opgejaagd dat zijn toevlucht had gezocht in een geschutskoepel, doch voor de rest verliep alles normaal.

De volgende hinderpaal was het vervoer. Een middelzware tank is geen Volkswagen: hij is 3,66m hoog en 2,44m breed. Hij kan een verticale hindernis nemen die 60 cm hoog is, maar op de rechte weg bij een snelheid van ca. 40 km per uur rijdt hij per liter brandstof slechts 300 m.

Het is bekend hoe een tank het wegdek kan ruïneren en het was dus duidelijk dat er geen sprake van kon zijn de 536 Shermans zelf over de wegen te laten rijden. Vervoer met opleggers was ook te lastig. Het depot van Rock Island ligt op een eiland in de Mississippi en de drie verkeersbruggen, die de verbinding vormen, staan slechts een belasting toe van ca. 20 ton. Men zou de Shermans doormidden moeten snijden om ze veilig over die bruggen te brengen en dat zou extra tijd en extra arbeid kosten en het bovendien onmogelijk maken om later een tank in zijn geheel te verkopen.

De in de werkplaats gereinigde en gerepareerde diesel- en benzinemotoren worden verkocht.
Hele brokstukken van tanks worden aan bevriend naties verkocht.
Daar de verkeersbruggen zouden bezwijken onder de last worden de tanks per spoor vervoerd.

De spoorwegen vormden de enige mogelijkheid. Gelukkig loopt er een spoorlijn over het eiland en kon Ising daarheen een verbindingsspoor aanleggen, dat overigens 2000 dollar kostte. De verbindingen aan het eindpunt vormden echter een grotere moeilijkheid, omdat men daar gebruik moest maken van de diensten van een andere spoorwegmaatschappij (de spoorwegen in de V. S. zijn niet, zoals in ons land in handen van één maatschappij). Daarbij moesten de tanks de grenzen van een andere staat overschrijden, en dat hield in dat er een speciale goedkeuring gehecht moest worden aan de overeengekomen vrachttarieven. Eerst werd deze goedkeuring geweigerd, maar dit was te wijten aan een rekenfout van 15.000 dollar van een beambte. Ten slotte was echter alles geregeld en kon Ising het bevel geven de eerste tanks rijvaardig te maken. Weldra waren er voldoende Shermans beschikbaar om de defecte exemplaren te slepen. Het laden op de spoorwagons verliep soepel, maar wel kostte het 17.000 dollar. Binnen een maand stonden de tanks op Isings opslagterrein, waar het afladen 5600 dollar kostte.

"Ik weet niet of ik je moet feliciteren of dat ik medelijden met je moet hebben!", zei één van zijn buren tegen Ising.

Inderdaad waren de zorgen nog niet van de baan. De prijzen op de schrootmarkt waren juist met 10 dollar per ton gedaald en —op papier— verloor Ising daardoor 100.000 dollar.

Desalniettemin had hij er nog steeds plezier in en hij maakte graag grapjes over zijn "gewapende macht", die ook zonder wapens nog wel een bedreiging zou kunnen vormen voor Monaco of Liechtenstein.

Isings 10-jarige zoon werd de held van zijn klas en Ising zelf kreeg voortdurend telefoontjes van verslaggevers die hem wilden interviewen en men wijdde ook een filmjournaal aan zijn tankkorps. Ising besteedde daar een dag aan: hij inspecteerde zijn tanks en liet bomen en hekken ondersteboven rijden. "Dat dagje kostte me 200 dollar aan brandstof, maar we hebben er in ieder geval plezier van gehad", zei hij.

Ondertussen was duidelijk geworden ciat de tanks niet uitsluitend als schroot verhandeld behoefden te worden: indien ze nog intact waren, zouden ze 3000 á 8000 dollar kunnen opbrengen. Bovendien bestond er vraag naar losse onderdelen. Waarvoor kan een oorlogsmoede tank nog dienen? Een vliegtuigenfabriek kon er zes gebruiken als sneeuwploeg voor haar terreinen. Deze zes brachten Ising 36. 000 dollar op. De fabriek was zeer tevreden: "Ze zijn beter dan gewone sneeuwploegen; ze halen 40 km per uur en verzetten 25 ton. "

Voor ze het depot mochten verlaten moest van alle tanks de bewapening worden gesloopt. Ising moest hiervoor zelf ploeg arbeiders bijeenbrengen. Men waarschuwde hem dat er nog scherpe munitie in de tanks aanwezig kon zijn.

Ook het uit de grond rukken van boomstronken kost een tank geen bijzondere inspanning. Houtzaagmolens in moerassige streken kunnen profiteren van tanks en autoslopers kunnen ze gebruiken om een oud chassis "op te vouwen". Men kan er een kraan op monteren en beschikt dan over een krachtige en snelle kraanwagen. Bij het slopen van gebouwen kan een tank een waardevol hulpmiddel zijn: twee ritjes van een tank door een huis zijn voldoende om alles tegen de grond te krijgen en binnen handbereik te brengen. Tanks zijn ook gevraagd als oorlogsgedenkteken, bulldozer, trekker voor graafwerktuigen en als "filmster".

"Waarom zou een ritje met een tank geen kermisattractie kunnen zijn", zegt Ising. "Er zijn vijf zitplaatsen in een tank en het moet een sensatie zijn. "

Brandstoftanks worden apart verkocht. Daar de handel in onderdelen levendig is, probeert Ising niet langer zijn tanks compleet te verkopen.

Ising heeft ook eens geprobeerd studenten tijdens de vakanties als handelsreiziger op te laten treden, onder het motto: "Verkoop een tank en houd de rest van de zomer vakantie". Er was echter geen mens die een tank wilde kopen.

Enige veteranen uit de Tweede Wereldoorlog wilden er wel een als een "souveniertje". Eén van hen bracht zelfs een model op schaal van een tank mee als presentje voor Ising. "Hij wenste een tank op ware grootte, maar toen ik zei dat het transport hem 1000 dollar zou kosten bedankte hij voor de eer. "

Ising had ook kunnen proberen toestemming van het State Department te verkrijgen om tanks naar het buitenland te verkopen, doch hij heeft daarvan afgezien. "Een tank komt licht in verkeerde handen", legt hij uit.

De transportkosten zijn zó hoog en de handel in onderdelen is zó levendig, dat Ising niet meer wil trachten de tanks compleet te verkopen, hoewel er nog 150 Shermans geheel rijvaardig zijn. Het is makkelijker gebleken onderdelen waar vraag naar is te verkopen dan een ploeg aan het werk te houden om de tanks in stukken te snijden.

Een wasbeertje moest verhuizen toen de tanks het depot verlieten.

Daar verscheidene bevriende naties Shermantanks in dienst hebben, kan hij alle bogiewielen en rupsbanden vrijwel onmiddellijk verkopen. Ook de motoren maken goede prijzen: van 500 tot 1500 dollar per stuk. (De Shermans waren van twee 250-pk dieselmotoren of een 500-pk benzinemotor voorzien.) Een universiteit kocht er een voor een windtunnel, garnalenvissers schaften zich de motoren aan voor hun boten. Voorts zijn er motoren in gebruik bij irrigatiewerken e.d. Ook andere onderdelen, als assen, dynamo's, pompen en radio-uitrustingen kregen een nuttige bestemming. Zelfs de zetels van de bemanning, de lampen en de brandblusapparaten vonden aftrek.

Ising behoefde geen advertenties te plaatsen om zijn waren aan de man te brengen. "De mensen die er belangstelling voor hebben houden zelf wel in de gaten wie er tanks op na houdt. Bovendien hebben de kranteverslagen en de verhalen het hunne ertoe bijgedragen. Ook een enkel spectaculair gebaar, zoals het uitlenen van een tank aan een theater, miste zijn uitwerking niet. "

De schrootmarkt is nogal aan fluctuaties onderhevig geweest sedert Ising zijn koop sloot, maar er is nog steeds een ploeg mannen bezig de tanks in stukken te snijden en als hij kans ziet zijn materialen op een goed ogenblik te verkopen, zal Ising, volgens een insider, een zoet winstje van om en nabij 50.000 dollar maken.

Hoe het ook zij, Ising is blij dat hij althans een poosje eigenaar is geweest van een tankkorps, want —merkte hij op— er zijn niet veel mensen die, als ze in een verkeersopstopping zitten, kunnen denken: "Als ik even mijn wagen haal rijd ik er met 40 km per uur dwars doorheen. "

De tanks opgesteld voordat ze op de spoorwagons worden geleden; het laden kostte al 17. 000 dollar.

Bron: PM (het beste uit Popular Mechanics) 1e jaargang Nr. 8, Augustus 1960, p. 53-58